| | 
In 1396 is in de archiefteksten sprake van het "hof ter Lint", wat in die tijd betekende: verblijf van de adel of van aanzienlijken, een woning die uit verschillende gebouwen bestaat, dus een landhuis, kasteel of slot.
Uit die archieftekst van 1396 blijkt dat ridder Daniel van der Tommen een hypotheek vestigde op het "hof ter Lint". Zoals verder zal blijken was het niet de laatste maal dat het goed in pand zou gegeven worden.
Vóór die tijd zou Lint toebehoord hebben aan Jan Hoobergen. Wauters meent nochtans met grote zekerheid te mogen aannemen dat het hier om een "van Obbergen" ging, een familie waarvan geweten is dat ze in die tijd een kasteel en heerlijkheid bezat in het aanpalende Beigem. In 1368 was Hendrik van Obbergen trouwens pachter van de abdijhoeve van Poddegem gelegen in de onmiddellijke nabijheid van het Lintkasteel. 
Daniel van der Tommen liet het hof ter Lint over- of verkocht het - aan Willem van Bouchout (waarschijnlijk uit Humbeek). Zijn dochter Catarina huwde met Jan Hoets. Deze verkocht het hof ter Lint in 1406 aan Jan van Muysen, waarna zijn dochter Beatrijs het domein erfde. Zij huwde met ridder Nicolaas van Heetvelde.
| |